Wat is er zo ingewikkeld aan het besturen van de openbare ruimte? Die vraag houdt Melle Rekvelt de komende jaren bezig. Sinds kort werkt hij als PhD-kandidaat aan onderzoek binnen Managing Public Space. Zijn vertrekpunt: hoe voorkomen we dat bestuurlijke inrichting het beheren van de openbare ruimte nóg ingewikkelder maakt?
Het vakgebied is namelijk al ingewikkeld genoeg. Het beheer van de openbare ruimte draait allang niet meer alleen om stenen, groen, lichtmasten en onderhoudsplanningen. Het gaat ook over duurzaamheid, veiligheid, gezondheid, bewonersparticipatie, klimaatadaptatie, bereikbaarheid, financiën en schaarste aan mensen en middelen. Melle kijkt vooral naar de bestuurlijke kant van dat geheel. ‘Ik ben geïnteresseerd in het systeem van stakeholders, instituties, organisaties, bedrijven en bewoners. Hoe hangt dat allemaal samen?’
Het onderzoek past bij zijn achtergrond. Melle studeerde Latijns-Amerikastudies maar ook bestuurskunde. Via bestuurskunde raakte hij geïnteresseerd in overheidsefficiëntie. ‘Er wordt steeds meer gevraagd van de Nederlandse overheid, terwijl die overheid tegelijkertijd steeds minder goed in staat lijkt om oplossingen te bieden.’ Eén van de redenen waarom het bestuur van de openbare ruimte hem zo aanspreekt, is het belang van het thema. ‘Het gaat uiteindelijk om onze infrastructuur. Wat dit vakgebied betreft gebeurt het echt als je spreekwoordelijk zou zeggen dat het land op instorten staat.’
Efficiëntie betekent voor hem niet dat menselijke waarden naar de achtergrond verdwijnen. Dat merkte hij ook in gesprekken met collega-onderzoekers binnen MPS. ‘Als ik overheidsefficiëntie zeg, denkt Hanna (Hanna Holm, omgevingspsycholoog die promoveert op hoe mensen de openbare ruimte ervaren, red) bijvoorbeeld al snel: er is veel meer dan efficiëntie. En dat klopt. Maar voor mij sluit efficiëntie andere waarden niet uit. Het gaat er dan juist bijvoorbeeld om dat je het rekening houden met bewoners zo goed mogelijk organiseert.’
Zelfbeheer
Een thema dat hem daarbij bijzonder interesseert, is bewonersparticipatie. Niet alleen bij herinrichting of bouwprojecten, maar ook in het dagelijkse beheer. ‘Bewoners worden soms gezien als een extra last, omdat participatie tijd kost. Maar bewoners weten vaak enorm veel over een wijk. Zij zijn er elke dag. Hoe zou je die kennis en invloed positief kunnen gebruiken?’ Zelfbeheer noemt hij als voorbeeld: bewoners die een stukje groen of openbare ruimte in hun straat zelf onderhouden. ‘Dan wordt participatie niet alleen iets wat moet volgens de Omgevingswet, maar mogelijk iets wat het beheer juist kan versterken.’
Gemeenten zoeken al volop naar nieuwe manieren van werken, dat ziet Melle ook. Zo bezocht hij tijdens het vak Managing Public Space de gemeente Arnhem, waar gewerkt wordt met een waardemodel (een integraal afwegingskader dat verder kijkt dan alleen civieltechnische kosten; het brengt de maatschappelijke, ecologische en economische meerwaarde van groen, straten en pleinen in kaart, red). ‘Daar merkte je veel enthousiasme. Zij ervaren dat zo’n model helpt om sneller en met meer vertrouwen beslissingen te nemen.’ Ook de opkomst van functies als integraal beheerder vindt hij veelzeggend. ‘Dan is er iemand die niet vanuit één vakgebied kijkt, maar thema’s als duurzaamheid, verkeer, veiligheid, natuur en economie met elkaar verbindt. Een klein voorbeeld: de mensen die over verlichting gaan, komen zo te weten dat je vleermuisvriendelijke ledlampen kunt gebruiken.’
Denkwerk
Zijn eigen favoriete openbare ruimte? Daar hoeft Melle niet lang over na te denken. In Latijns-Amerika voelt hij zich sterk aangetrokken tot de centrale pleinen: plekken waar allerlei mensen samenkomen en waar van alles gebeurt, van schaakwedstrijden tot dansbattles. ‘Je hoeft je daar nooit alleen te voelen en je nooit te vervelen.’ In Nederland doet het Prins Hendrikplein in Den Haag hem daar het meest aan denken. ‘Met de terrassen, de tram die langskomt, de fontein waar op warme dagen kinderen doorheen rennen. Het is er wel iets stiller, al maakt het jaarlijkse Zeeheldenfestival dat weer goed.’
Voorlopig staat Melle nog op de springplank. Hij leest, puzzelt en zoekt naar een overkoepelend verhaal waarin alle relevante thema’s kunnen landen. Hij probeert zo kritisch mogelijk te denken. ‘Als je naar iets kijkt, probeer je zo veel mogelijk te zien. Soms kun je door op een hele andere manier naar een uitdaging te kijken tot de meest waardevolle inzichten komen.’ Melle wijst op een gedicht van Jules Deelder als voorbeeld. ‘Normaal kijk je naar een opgebroken straat als iets vervelends, maar het gedicht laat je er anders naar kijken: het is ook het bewijs dat er achter de schermen aan onze toekomst wordt gewerkt.’
Tegenwoordigheid van geest
en realisme in ’t kwadraat
vieren onverstoorbaar feest
in een opgebroken straat
Jules Deelder